Accepteer cookies om deze inhoud in te laden.

Matijs Jansen, lid van het acteurscollectief Wunderbaum, opende de ochtend met een interactieve monoloog in de vorm van een reeks steeds indringendere, speelse, pijnlijke en hilarische vragen aan het publiek over hun bereidheid zich bezig te houden met maatschappelijke kwesties. Het was een aangepaste scène uit Wunderbaums meest recente theaterproductie We doen het wel zelf, een ethische, persoonlijke en politieke verkenning van de implicaties van de participatiesamenleving.

Moderator Karim Bennamar legde de opbouw van het programma uit. Elke lezing en elke discussieronde wordt afgesloten met een vraag aan het publiek. Alle leden van het publiek worden verzocht deze vragen vijf minuten lang te bespreken met hun buurman of –vrouw, en een opmerking of antwoord op een kaart te schrijven. Alle kaarten worden verzameld en een samenvatting van de antwoorden wordt gepubliceerd op de website van De Staat van Eindhoven

Mary-Ann Schreurs, wethouder van de gemeente Eindhoven en opdrachtgever van het project De Staat van Eindhoven, hield een korte inleiding. Ze signaleerde drie belangrijke verschuivingen in de samenleving. Ze stelde dat de vraag hoe een stad slim kan zijn plaats heeft gemaakt voor de vraag hoe burgers slim kunnen zijn. De mensen van nu zijn niet slimmer dan eerdere generaties, maar we hebben nu wel andere werktuigen tot onze beschikking. De gemeente Eindhoven maakt samen met zijn burgers en bedrijven routekaarten voor de implementatie van deze werktuigen, zoals slimme verlichting. Ze hoopt ook het debat te stimuleren over het soort samenleving dat we willen zijn. Eindhoven is op zoek naar manieren waarop mensen zelf dingen kunnen veranderen. Het is een cultuuromslag waarin overheden moeten leren zo’n samenleving te faciliteren. We willen dat iedereen toegang heeft tot open data en open hardware, maar de ware opgave is geen kwestie van technologie maar van cultuur. Daarom heeft de gemeente Eindhoven Het Nieuwe Instituut gevraagd drie domeinen – design, stadsontwikkeling en cultuur – bij elkaar te brengen.

Floor van Spaendonck, beleidsmanager van Het Nieuwe Instituut, verwelkomde het publiek namens Het Nieuwe Instituut. De Staat van Eindhoven is voor Het Nieuwe Instituut als landelijke instelling heel interessant, omdat het project betrekking heeft op commitment en ontwikkelingen op plaatselijk niveau. Dit betekent dat thema’s en vragen specifieker gemaakt kunnen worden. Ze hoopt dat het project resultaten zal opleveren die ook elders toepasbaar zijn.

Programmamanager Linda Vlassenrood schetste de contouren van De Staat van Eindhoven (2015-2017). Zowel de slimme stad als de participatiesamenleving is een belangrijke overgang in de huidige maatschappij en in de stadsplanning. We staan daarin voor grote uitdagingen. De slimme stad wordt omarmd als oplossing voor al onze problemen op het gebied van duurzaam en veiligheid, maar tot dusver is de aanpak heel technocratisch. De Staat van Eindhoven wil dat discours openbreken en herschrijven en gebruik maken van Eindhovens ambitie en energie om de volgende vraag aan de orde te stellen: waarom, hoe en met wie kunnen de burgers van Eindhoven bijdragen aan een slimme stad?

Dit is het eerste publieke evenement en het project is dan ook nog maar net begonnen. Tot dusver bestaat het uit drie elementen. Open Source City heeft het verzoek gekregen Eindhoven in kaart te brengen om inzicht te krijgen in de huidige projecten, initiatieven en activiteiten, en een beter beeld te krijgen van de mensen die een bijdrage leveren aan de participatiesamenleving en de slimme stad. Het is een manier om greep te krijgen op wat er allemaal al gebeurt in Eindhoven, want niemand heeft daarvan een duidelijk overzicht. Dit in kaart brengen zal gedurende het hele proces doorgaan en zal online worden gedeeld.

Deel twee van het project betreft het werk van zes uitgenodigde deskundigen. Zij zullen casestudy’s uitvoeren, kritische vragen stellen en een handelwijze helpen ontwikkelen. Hun werk begint vandaag. Ze worden bijgestaan door Vera Winthagen en Neeltje Somers, die voor de gemeente Eindhoven werken, en een kleine groep inwoners, van wie Wim Venhuis de eerste is. Deel drie begint volgend jaar en bestaat uit een rondgang door de zeven wijken van Eindhoven om kennis te vergaren en ideeën, apps en technieken uit te proberen. Linda sloot af met een oproep aan het publiek om samen de kloof tussen ambitie en realiteit te dichten.

Alle leden van de slimme raad werd gevraagd hun opvattingen weer te geven over de kernvraag in het project. Evelien Tonkens zette de belangrijkste opgaven van de participatiesamenleving op een rijtje, en Dan Hill die van de slimme stad.

Evelien Tonkens

(hoogleraar Burgerschap en Humanisering van de Publieke Sector, Universiteit voor Humanistiek in Utrecht)

Ons hoofddoel is een participatiesamenleving. Maar of we meer of juist minder overheid nodig hebben om meer participatie te bewerkstellingen staat nog ter discussie. De participatiesamenleving houdt in dat alle burgers op basis van gelijkheid aan de samenleving kunnen deelnemen. Dat is nogal een ambitieuze doelstelling. Evelien Tonkens vat de slimme stad op als een stad waarin burgers met de overheid en bedrijven samenwerken aan het ontwerpen en gebruiken van technologieën die participatie bevorderen.

Ze ziet drie grote risico’s:

  1. Het burgerschap van de slimme stad wordt geïnterpreteerd als een passieve betrokkenheid.

Burgers zijn alleen verschaffers van informatie. In het beste geval kan hun gedrag ‘een zetje in de goede richting krijgen’, maar in het slechtste geval kan de slimme stad ook ernstig inbreuk maken op de privacy van de burgers.

  1. Burgers worden te gemakkelijk als een eenheid gezien. Wie is de burger? Wie komt opdraven en wie niet? En wat willen degenen die niet zijn gekomen?

De meeste burgers komen niet naar bijeenkomsten. Actieve burgers zijn dus niet representatief. De participatiegraad is hoger onder hoger opgeleiden, op vrijwel ieder terrein  (behalve misschien de media), maar hoger opgeleiden hebben andere belangen dan lager opgeleiden. In het algemeen hebben ze meer sociaal kapitaal, meer opleiding en een betere gezondheid.

Kortom, je hebt burgers van allerlei slag. En ze zijn het vaak met elkaar oneens. Verschillende mensen gebruiken dezelfde ruimte op verschillende manieren, dus er zullen botsingen ontstaan. Dat betekent dat er politiek nodig is: een podium voor geweldloze botsingen.

  1. Het derde risico wordt omschreven als ‘goede technologie, slechte sociologie’. De neiging om impliciete en ondoordachte ideeën over menselijke behoeften en voorkeuren in te bouwen in de technologie.

Hoe om te gaan met deze risico’s? Een G1000 is een goed idee. Vraag mensen die niet vertegenwoordigd zijn. En stel de behoeften en prototypes van systemen vast en zorg ervoor dat materialen worden aangepast aan mensen die minder competent zijn.

Dan Hill

(ontwerper, urbanist en associate director bij ontwerp- en ingenieursbureau Arup in London)

Cedric Price zei al in 1960: ‘Technologie is het antwoord, maar wat was de vraag?’ Technologie verandert steden, maakt nieuwe soorten steden mogelijk en transformeert bestaande. En de technologie zelf verandert ook. We zitten in een overgangsproces van de gekwantificeerde stad naar de genetwerkte stad. Hoe kunnen we die beter begrijpen? Dan Hill schetst vier elkaar aanvullende ontwerpbenaderingen.

Gebruik design als onderzoeksinstrument door prototypes te maken en via interactie. Ontwerp betere manieren om de stad te lezen en er de weg te vinden: niet alleen de snelste route van A naar B, maar ook de schoonste? Met de minste luchtvervuiling? Op de mooiste manier? De route die niet langs het huis van je ex-geliefde loopt? Vragen om rekening mee te houden: wanneer stellen we de menselijke interactie op de voorgrond? Wanneer plaatsen we de technologie meer op de achtergrond?

Een andere methode die wordt gehanteerd is het ontwerpen van diensten toegespitst op de kwaliteiten van genetwerkte stedelijke omgevingen. Denk verder dan de gecentraliseerde rasters waarlangs het openbaar vervoer, het toerisme of de post nog steeds zijn georganiseerd. Creëer nieuwe diensten op basis van de oude hardware met een paar regels code en een groep advocaten. Eenentwintigste-eeuwse platforms zoals Airbnb en Uber vullen de gaten tussen de twintigste-eeuwse diensten. Een vraag die opkomt met betrekking tot deze diensten is: wat blijft publiek en wat blijft privé?

Een derde ontwerpbenadering is die van het coderen: de ontwikkeling van slimme algoritmes. Uit onderzoek blijkt dat er, als het verkeer uit zelfrijdende auto’s in publiek eigendom bestaat, in de steden tot wel 70% minder privévoertuigen nodig zijn. Momenteel staan auto’s 96% van de tijd werkloos langs de kant. Zelfstandige robots zouden makkelijk de straten schoon kunnen houden, maar dit roept de vraag op naar onze relatie met robots. Die is voornamelijk cultureel bepaald. Hoe zien we robots? Zien we ze als een soort huisdieren? Als schapen die worden gehoed? En wie is dan de schaapherder? Zien we ze als wezens die onbetaalde arbeid verrichten? Is onze relatie met robots te vergelijken met de zeventiende-eeuwse relatie tussen ‘slavenhouder’ en ‘slaaf’?

De laatste benadering is de belangrijkste: via besluitvorming. Hoe willen we dat onze steden werken? Geen enkele ontwikkeling is ‘onvermijdelijk’. Dus hoe is de Eindhovense versie van de volgende zaken?

  • Gedistribueerd, gedecentraliseerd, post-raster
  • Modulair, cellulair, aanpasbaar
  • Parasitair, aaneengegroeid
  • Fysiek, mechanisch, mooie interacties
  • Gezond, wild, natuurlijk, schoon en groen
  • Kwalitatief hoogwaardige, fijnmazige plekken
  • Voorspellend, algoritmisch, autonoom
  • In prototype, hackbaar, herhalend
  • Uitbreidbaar, strategisch
  • Veilig, veerkrachtig, robuust
  • Goed voor het algemeen belang, zijn waarde behoudend
  • Plaatselijk, gesitueerd, cultureel expressief
  • Relationele systemen,
  • Kleine stukken, losjes met elkaar verbonden
  • Eerst de mens, dan pas de technologie

 

Discussie 1: instrumenten

Deelnemers: Tsjalling Swierstra (hoogleraar Techniekfilosofie, Universiteit Maastricht), Chris Sigaloff (directeur Kennisland) en Vera Winthagen (strategisch design consultant, gemeente Eindhoven)

Welke instrumenten faciliteren de slimheid van burger en stad? Hoe moeten slimme burgers worden toegerust om maatschappelijke kwesties op te lossen? Hoe moeten onderzoek en innovatie worden toegerust om slimme burgers te faciliteren? Wat voor ideologische, bestuurlijke, financiële en technologische veranderingen zijn er (nog) nodig in Eindhoven om hieraan plaats te beiden? Hoe moet deze overgang binnen het programma De Staat van Eindhoven worden gefaciliteerd of versterkt?

Techniekfilosoof Tsjalling Swierstra bracht drie punten naar voren om mee te nemen in het denken over het ontwerp van slimme en maatschappelijke instrumenten.

  1. Allereerst waarschuwde hij tegen het idee van ‘implementatie’. Implementatie wekt de suggestie: we kunnen eerst hard nadenken, het vervolgens doen, het monitoren en verbeteringen aanbrengen. Daarmee wordt onderschat in welke mate technologie iets doet uitstijgt boven datgene waarvoor ze is ontworpen. De technologie geeft vorm aan wie we zijn. Ze blijft zich steeds ontwikkelen. Als de samenleving verandert, krijgt bestaande technologie een andere rol. Hoe technologie functioneert hangt samen met de plaats en de situatie. Dezelfde technologie zal steeds een andere gezicht laten zien. We moeten accepteren dat de relatie tussen technologie en de mens lijkt op een huwelijk waarin de partners elkaar toestaan elkaar vorm te geven. Hoe moet daar in dit project mee worden omgegaan? Test, controleer, monitor de voortdurende veranderingen van de technologie en vergeet nooit dat nazorg nodig is zodra technologie is toegepast.
  2. Technologie moet nuttig zijn. Technologie kan ervoor zorgen dat we ons beter gaan gedragen. Technologie kan een ontmoetingsplatform zijn, maar er komt altijd macht aan te pas. Als we taken aan de technologie overlaten, gaat dat dan niet ten koste van onze vaardigheden, maakt het ons niet machteloos? Of, in fundamentelere zin: worden daardoor bepaalde groepen gebruikers niet buitengesloten? Technologie is – ook onbedoeld – een heel effectieve manier om mensen buiten te sluiten.
  3. Een derde punt om in overweging te nemen is dat de technologie voornamelijk op de achtergrond werkzaam is. Ze valt pas op als ze niet goed functioneert. Welk instrument we ook gebruiken, het moet de mogelijkheid hebben de technologie op de voorgrond te plaatsen, zodat we kunnen zien hoe ze functioneert en welke effecten ze heeft.

Chris Sigaloff stelt ook drie vragen:

  1. Wat is slim? Wat beschouwen we als slim? Kennisland heeft slimheid altijd ondersteund, maar de term is geëvolueerd. We moeten ons ook afvragen: wie leeft er niet in de slimme wereld? Misschien zijn we wel een nieuwe ongelijkheid aan het creëren. Hoe gaan we om met mensen die niet slim willen zijn? Misschien moeten we niet proberen alle problemen op te lossen?
  2. Hoe overbruggen we die kloven? We hebben ook een slimme overheid nodig om afstanden te verkleinen. Misschien is die slimme overheid een grote overheid.
  3. Er moet ook ruimte zijn voor onverwachte initiatieven. Kunnen we technologie ontwerpen die het burgerschap versterkt? Kijk bijvoorbeeld naar het crowdsourcen van scholen. Een collectief is nieuwe onderwijsconcepten aan het ontwikkelen. Kunnen we slimme infrastructuren bedenken die de levens van mensen verbinden met die van overheden?

 

Discussie 2: Belangen

Deelnemers: Anab Jain (ontwerper en oprichter van het Engels-Indiase ontwerp- en innovatiebureau Superflux), Albert Jan Kruiter (publiek ondernemer en mede-oprichter Instituut voor Publieke Waarden) en Vera Winthagen

Waarom zouden inwoners van Eindhoven actief betrokken willen worden bij de slimme stad? Wanneer heeft een slimme stad een meerwaarde voor hen? Is er wellicht sprake van belangen die niet met elkaar overeenkomen en zo ja, welke? Waarin zouden burgers, overheid, kennisinstellingen en bedrijven elkaar kunnen vinden? Hoe moet deze betrokkenheid vorm krijgen binnen het programma van De Staat van Eindhoven?

Anab Jain begon met de observatie dat er in Eindhoven een vliegende start is gemaakt met de participatie en zij somde uiterst inspirerende projecten op die in de Dutch Design Week waren opgenomen. Maar, zei ze, we zijn hier om het erover te hebben hoe Eindhoven een slimme participatiestad kan worden – en dat roept weer een nieuwe vraag op. Het gebruik van slimme technologieën die overheden en technologiebedrijven in staat stellen over geografische barrières heen te reiken kan met zich meebrengen dat directe buren, die niet over de middelen beschikken om te worden aangesloten op zulke technologieën, die vaak onzichtbaar en onbegrijpelijk zijn, buiten de boot vallen.

De participatiesamenleving vraagt burgers verantwoordelijkheid te nemen. Maar dan moeten we ook naar een participerend bestuur of een open overheid toe, die middels een constante dialoog en steeds nieuwe experimenten juridische en regulerende kaders creëert, waarbij elk beleid wordt gezien als een proef, die openbaar wordt gepubliceerd en geamendeerd.

In dit type participatiesamenleving moeten de mensen ook weten wat ze met de technische infrastructuur kunnen doen.

In dit soort slimme stad desintegreren de onzichtbare ruimtes van de macht die tussen de materiële en immateriële infrastructuur liggen. In deze slimme participatiesamenleving werken de overheid, de bevolking en de technologiebedrijven samen.

Hoe stellen we ons die samenwerking tussen burgers, overheid en technologiebedrijven voor? Wat is het gelijke speelveld voor een slimme participatiesamenleving?

Albert Jan Kruiter gaf een heel andere draai aan de discussie:

Steden worden in steeds sterkere mate verantwoordelijk gemaakt voor gezondheidszorg en sociale dienstverlening op lokaal niveau, maar het budget om maatregelen uit te voeren valt nog steeds onder de centrale overheid in Den Haag. In feite staat 95% van de begroting van een stad onder controle van Den Haag. Dat maakt de Nederlandse steden de minst gedecentraliseerde in Europa. Wat moet er gebeuren om maatschappelijke problemen op lokaal niveau op te lossen, inclusief verschillende benaderingen voor verschillende mensen? Uit ervaring weten we dat het decentraliseren van taken zonder het budget te decentraliseren tot uitsluiting van bepaalde groepen leidt. Het landschap waar we in De Staat van Eindhoven naar kijken zou er heel anders uitzien als de stad een veel grotere stem had in de manier en het moment waarop ze het budget besteedde. Wat we dus eigenlijk moeten hebben is dat de stad lobbyt voor verdere decentralisatie.

Daarnaast moeten we op zoek naar een pad dat niet afhankelijk is van een herstructurering van overheidsbudgetten. In de particuliere sector zijn interessante dingen gaande. Er komt een nieuw type bedrijf op, dat probeert duurzame businessmodellen te ontwikkelen rond publieke problemen. Het voordeel is dat er in de particuliere sector minder bureaucratie is en er sneller besluiten worden genomen. Er is meer handelingsvrijheid en daardoor grotere flexibiliteit, waardoor er veel sneller kan worden geleerd. Hoe kunnen de stad en haar inwoners de ontwikkeling van duurzame businessmodellen rond publieke problemen faciliteren en steunen?

 

De Staat van Eindhoven
Linda Vlassenrood

Dit project maakt deel uit van de programmalijn Partnerprojecten en het dossier Onderzoek.

Het Nieuwe Instituut en de gemeente Eindhoven werken samen aan een meerjarig cultuurprogramma voor de periode 2015-2017 over de veranderende verhouding tussen overheid en burger.