De combinatie van slimme technologie en participatie klinkt veelbelovend, maar de realiteit is weerbarstiger. Evelien Tonkens, hoogleraar Burgerschap en Humanisering van de Publieke Sector en lid van de klankbordgroep voor De Staat van Eindhoven, legt in dit essay uit waarom. 

Hoe toegankelijk is de Slimme Stad?

Wat ook vooralsnog niet bijdraagt aan gelijke toegang van alle burgers tot participatie in de Slimme Stad, is dat de communicatie over de Slimme Stad nog tamelijk ontoegankelijk is voor mensen met weinig opleiding. Het grootste deel van de informatie erover, ook wat betreft Eindhoven, is in het Engels. Je vindt in deze informatie allerhande imposante stroomschema’s die veel mensen ongetwijfeld boven hun pet gaan. De term Slimme Stad is bovendien niet erg uitnodigend voor lager opgeleiden. Daaronder bevinden zich immers veel mensen die hun hele leven al vaak te horen hebben gekregen dat zij niet slim zijn. Die denken waarschijnlijk bij voorbaat dat de Slimme Stad niets voor hen is.

Beleidsmakers zullen vermoedelijk in reactie hierop zeggen dat ze heus wel weten dat burgers niet allemaal slim en nieuwsgierig genoeg zijn om met nieuwe technologie om te gaan. Maar wat zijn de consequenties daarvan? En als we het nu eens omdraaien: stel dat je nu eens vertrekt bij mensen met een laag IQ die met veel moeite het VMBO hebben gedaan. Hoe zou je de Slimme Stad dan inrichten? Immers, als iets speciaal is aangepast op mensen met een laag IQ, dan kunnen anderen het ook wel volgen. Het omgekeerde is helaas niet het geval. 

Om participatie en de Slimme Stad echt te verbinden, en dus verschillende soorten burgers te betrekken, is er meer nodig. Je moet verschillende groepen identificeren, afhankelijk van het onderwerp, en ze gericht uitnodigen om mee te denken. Je moet ze echt een stem geven en in je participatieproces rekening houden met wat zij kunnen en willen. Daarbij is het ook belangrijk om te bedenken hoe hun invloed zich verhoudt tot wat de gemeenteraad bespreekt en besluit opdat hun inzet niet door de gemeenteraad (onbedoeld) teniet wordt gedaan.

Competitie

Een derde risico in de combinatie van participatie met de Slimme Stad is wereldvreemd beleid door naïeve of eenzijdige veronderstellingen over wat veel burgers willen. Bij energiebesparingsprojecten als onderdeel van de Slimme Stad wordt bijvoorbeeld verondersteld dat burgers graag in een wijk in openlijke competitie met elkaar zijn. En dat ze bijvoorbeeld pas in beweging komen om energie te besparen wanneer ze in competitie geplaatst worden met andere wijkbewoners en publiekelijk kunnen zien wie er de meeste energie bespaart.

Het is zeer de vraag of dit zo werkt. Het is zeer de vraag of mensen wel van elkaar willen weten hoeveel energie ze gebruiken, zeker als er bijvoorbeeld ook bij komt te staan wanneer ze dat doen. Willen we dat de buren gezellig met elkaar op straat gaan bespreken waarom buurvrouw Nadine ‘s nachts zoveel stroom gebruikt? Wat spookt zij dan eigenlijk uit? En doet zij dat niet vooral op avonden waarop haar man avonddienst van zijn werk heeft?

Het is sowieso de vraag of burgers wel sterk verlangen naar onderlinge competitie. Dit mensbeeld spoort goed met het neoliberalisme van de afgelopen decennia, maar er zijn veel tekenen dat veel mensen niet zozeer verlangen naar (nog meer) competitie, maar eerder naar gezellige gemeenschappen: naar ergens bij horen en vertrouwdheid.  

Beleid dat de burgers bij technologie wil betrekken, zou moeten aansluiten bij wat mensen daadwerkelijk willen en zijn. Vinden mensen het werkelijk aantrekkelijk om openlijk met elkaar te concurreren om wie het meeste energie bespaart of ervaren zij dit als aanslag op hun privacy of verbondenheid? Als ze competitie aantrekkelijk vinden, onder welke voorwaarden dan? Mogelijk vinden ze bijvoorbeeld groepscompetitie (de ene straat tegen de andere) aantrekkelijker dan individuele competitie. Het is daarnaast al even twijfelachtig om ervanuit te gaan dat iedereen op zoek is naar gemeenschap. Het is cruciaal om je vooronderstellingen over wat mensen willen en zijn niet zonder reflectie in een ontwerp in te bouwen; dit moet van tevoren worden getoetst, zoals je ook technische aspecten toetst voordat je ze inbouwt.

Kortom: burgers betrekken bij de Slimme Stad is zinvol onder drie voorwaarden:

1. Echte invloed: burgers kunnen daadwerkelijk mee vorm geven aan de Slimme Stad: het is duidelijk waarop zij invloed kunnen uitoefenen en waarop ook niet

2. Erkennen dat ‘de’ burger niet bestaat en dat burgers verschillende visies en belangen hebben: dat noopt tot het betrekken van verschillende groepen burgers; tussen (groepen) burgers, en van de noodzaak om niet actieve burgers actief uit te nodigen, eventueel gecombineerd met gewogen loting. Extra moeite doen dus om de eenzijdige betrokkenheid van de participatie-elite te doorbreken

3. Je mensbeeld niet in een ontwerp laten sluipen, maar expliciteren en toetsen: niet ervan uitgaan dat burgers allemaal individualisten of competitieliefhebbers zijn en dat mensbeeld in je technologie inbouwen, maar de vraag wat welke mensen zijn en willen, onderdeel maken van het ontwerpproces

Hoe kunnen we burgers betrekken bij de Slimme Stad op een manier dat aan deze drie voorwaarden kan worden voldaan? Die vraag stel ik graag centraal in De Staat van Eindhoven.

 

Literatuur

Bovens, M. (2008). De diplomademocratie. In Swierstra, T. en E. Tonkens (red.), De beste de baas? Verdienste, respect en solidariteit in een meritocratie. Amsterdam: Amsterdam University Press. pp. 101-117

Bovens, M., & Wille, A. (2014), Diplomademocratie: Over de spanning tussen meritocratie en democratie. Prometheus.

Houwelingen, P. van, Boele, A., & Dekker, P. (2014). Burgermacht op eigen kracht?: Een brede verkenning van ontwikkelingen in burgerparticipatie (Vol. 2014). Sociaal en Cultureel Planbureau.

Jones, P.S. (2003). Urban Regeneration’s Poisoned Chalice: Is There an Impasse in (Community) Participation-based Policy? Urban Studies. Vol. 40 (3), pp. 581-601.

Ouden, E. den, & Valkenburg, R. (2012). Vision and Roadmap Urban Lighting Eindhoven 2030. Eindhoven: Eindhoven University of Technology.

Skocpol, Theda (2002). United States: From Membership to Advocacy. In Robert D. Putnam (ed.), Democracies in Flux: The Evolution of Social Capital in Contemporary Society, Oxford: Oxford University Press. pp. 103-136

Walzer, M. (2004). Politics and Passion: Toward a More Egalitarian Liberalism. New Haven/London: Yale University Press.

 

 

De Staat van Eindhoven
Linda Vlassenrood

Dit project maakt deel uit van de programmalijn Partnerprojecten en het dossier Onderzoek.

Het Nieuwe Instituut en de gemeente Eindhoven werken samen aan een meerjarig cultuurprogramma voor de periode 2015-2017 over de veranderende verhouding tussen overheid en burger.